Op zoek naar een accountancy opleiding? Of wil je even iets nakijken? Je vindt het hier in dit enorme woordenboek met vaktermen van accountancy.
Zoek op beginletter of vul het woord in dat je zoekt.
Aandelen
Eigendomsbewijzen in een vennootschap.
Accijns
Kostprijsverhogende belasting op bijvoorbeeld alcohol en tabak.
Activa
De activa zijn de bezittingen van de onderneming. We onderscheiden vaste activa en vlottende activa. Op de balans van een bedrijf vinden we de activa aan de activakant of debetzijde.
AEX
De Amsterdam EOE-index, gebaseerd op het gewogen koersgemiddelde van de 25 naar beursomzet grootste Nederlandse aandelen.
Afschrijven
Het boekhoudkundig verwerken van de waardevermindering van kapitaalgoederen door slijtage.
Allocatie
De toedeling van de productiefactoren over de productiemogelijkheden.
Alternatief aanwendbare middelen
Middelen die kunnen worden gebruikt om er uiteenlopende behoeften mee te bevredigen.
Alternatieve kosten
De kosten uitgedrukt in het opgeofferd alternatief. Bijvoorbeeld een uur extra vrije tijd kost de opbrengst van een uur arbeid.
AOW-uitkering
Oudedagsvoorziening op basis van de Algemene Ouderdomswet.
Appreciatie
Koersstijging van een valuta door vraag en aanbod.
Arbeidsduurverkorting (ADV)
Verkorting van het aantal jaren per werkzaam leven (vut) en/of het aantal weken per jaar, en/of het aantal dagen per week en/of het aantal uren per dag, met de bedoeling nieuwe arbeidsplaatsen te scheppen.
Arbeidsinkomensquote
De loonsom van werknemers in de marktsector plus een aan zelfstandigen toegerekend arbeidsinkomen, gedeeld door de toegevoegde waarde van bedrijven.
Arbeidsmarkt
Het geheel van vraag naar en aanbod van arbeid, bestaand uit een groot aantal deelmarkten.
Arbeidsmobiliteit
De mate waarin mensen bereid en in staat zijn te veranderen van werkgever, van beroep, van regio op de arbeidsmarkt.
Arbeidsproductiviteit
(macro): de totale productie (in miljarden euro’s per jaar) gedeeld door de ingezette hoeveelheid arbeidskrachten (in miljoenen personen).
Automatische incasso
De afnemer heeft zijn leverancier gemachtigd het verschuldigde bedrag van zijn rekening af te laten boeken.
Automatische prijscompensatie
Afspraak tussen werkgevers- en werknemersorganisatie om de prijsstijgingen door te laten werken in de lonen.
Autoriteit Financiƫle Markten (AFM)
De AFM houdt toezicht op het gedrag van iedereen die actief is op de markt van sparen, lenen, beleggen en verzekeren.
AvA
Algemene vergadering van aandeelhouders.
Balans
Een overzicht op een bepaald moment van bezittingen en vorderingen aan de ene kant en eigen vermogen en schulden aan de andere kant.
Bandbreedte
Maximaal toegestane verschil tussen de hoogste en de laagste koers van een valuta.
Basisjaar
Grondslag bij de berekening van indexcijfers. De prijzen in het basisjaar worden op 100 gesteld. Bedrijfskolom Laat de schakels zien die een product doorloopt van grondstoffenproducent tot en met detailhandel.
Begroting
Overzicht van de verwachte ontvangsten en uitgaven voor een bepaalde periode.
Begrotingstekort
Het verschil tussen alle uitgaven en ontvangsten van de overheid.
Belastingen
Gedwongen betalingen aan de overheid zonder dat de individuele belastingbetaler daar een direct aanwijsbare tegenprestatie van de overheid voor terugontvangt.
Besloten Vennootschap (BV)
Een ondernemingsvorm, waarbij het vermogen is verdeeld in aandelen die op naam staan en in besloten kring verhandeld kunnen worden. De BV is rechtspersoon.
Besparingen
Dat gedeelte van het beschikbaar nationaal inkomen dat niet voor consumptie of belastingbetalingen wordt aangewend.
Bestedingen
De aankopen van consumenten, investeerders, overheid en buitenland, die beslag leggen op de productiecapaciteit van een land.
Betalingsbalans
Overzicht van alle in geld uitgedrukte transacties die ingezetenen van een land hebben verricht met niet-ingezetenen (het buitenland) in een jaar.
Beurs
Plaats waar effecten zoals aandelen en obligaties worden verhandeld. Kopers en verkopers ontmoeten elkaar niet echt op de beurs. Zij geven hun opdrachten tot aan- of verkoop gewoon door aan hun bank, die zorgt dat de opdracht op de beurs terechtkomt. Voorbeelden van beurzen zijn de Amsterdam Exchanges (AEX) in Amsterdam en Wall Street in New York.
Beurskoers
Prijs waartegen effecten worden verhandeld op de beurs.
Beursnotering
Als de aandelen van een bedrijf op de beurs verhandeld kunnen worden, heeft dat bedrijf een beursnotering.
Boekwaarde
Het eigen vermogen van de onderneming, ofwel de bezittingen minus de schulden, ookwel intrinsieke waarde genoemd.
Branchevervaging
Verschijnsel dat ondernemingen hun assortiment steeds meer verbreden (ook: parallellisatie).
Break-even-punt
De verkochte hoeveelheid waarbij de totale kosten juist gelijk zijn aan de totale opbrengsten; voorbij dit punt wordt winst gemaakt.
Chartaal geld
Munten en bankbiljetten.
CNV (Christelijk Nationaal Vakverbond)
Het CNV behoort met de FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging) tot de belangrijkste werknemersorganisaties van Nederland.
Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO)
Een afspraak tussen werknemers- en werkgeversorganisaties over lonen en andere arbeidsvoorwaarden, die door de overheid ook verbindend verklaard kan worden voor de ongeorganiseerden.
Collectieve goederen
Goederen die naar hun aard niet te splitsen zijn in individueel leverbare eenheden. De gebruiker kan er dan ook geen prijs per eenheid voor betalen en daarom worden ze uit de algemene middelen van de overheid gefinancierd.
Concern
Geheel van moedermaatschappij(en) en (klein)dochtermaatschappijen.
Conjunctuur
Golfbeweging in de economie. Als het goed gaat met de economie spreken we van hoogconjunctuur. De werkloosheid is dan laag en mensen geven veel geld uit aan luxeartikelen. De omgekeerde situatie heet recessie. Op de lange termijn zie je dat goede periodes worden afgewisseld door wat minder goede periodes.
Constante kosten
Kosten die ook worden gemaakt als de productie stil staat.
Consumentenvertrouwen
Deze statistiek geeft informatie over het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten over de ontwikkelingen van de Nederlandse conjunctuur.
Contingent
Maximum aan de hoeveelheid van een goed dat in een jaar mag worden ingevoerd (ook: quotum).
Convergentiecriteria
De eisen waaraan volgens het verdrag van Maastricht landen moesten voldoen om aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) te kunnen meedoen.
Crisis
Het omslagpunt in de conjunctuurgolf.
Daggeldlening
Lening die dagelijks door een van beide partijen kan worden opgezegd.
De Nederlandsche Bank (DNB)
De Nederlandsche Bank oefent prudentieel toezicht uit op financiële instellingen.
Debiteur
De partij aan wie je het geld uitleent.
Debiteurenrisico
Dit is het risico dat de partij aan wie je het geld uitleent - de debiteur - niet kan betalen op het afgesproken tijdstip.
Deflatie
Daling van het algemeen prijspeil.
Depreciatie
Koersdaling van een valuta door vraag en aanbod.
Devaluatie
Verlaging van de spilkoers van een valuta in een stelsel van stabiele wisselkoersen.
Dienstenrekening
Deelrekening van de betalingsbalans waarop de waarde van de diensten in- en uitvoer wordt vermeld.
Diepte-investering
Arbeidsbesparende investering.
Differentiatie
Het ontstaan van een nieuwe geleding binnen een bedrijfskolom.
Directe ruil
Ruil van goed tegen goed.
Disagio
Nadelig verschil tussen termijnkoers en contante koers of tussen beurskoers en conversiekoers.
Disconto
Term waarmee in de media het officiële rentetarief van de centrale bank wordt aangeduid.
Dividend
Winstuitkering op aandelen.
Doelstelling van de onderneming
De situatie die de onderneming probeert te bereiken door zijn marktgedrag.
Dot-com wereld
Synoniem voor de wereld van Internet, e-business en e-commerce.
Dumping
Het onder de kostprijs verkopen van producten op buitenlandse markten.
Duurzame consumptiegoederen
Goederen en diensten die meer dan één keer gebruikt kunnen worden.
Economie
1. De wetenschap die bestudeert hoe mensen omgaan met alternatief aanwendbare middelen, die ze gebruiken om er hun behoeften mee te bevredigen.
2. De behoeftebevrediging in een bepaald gebied, bijvoorbeeld de economie van Nederland.
Economische groei
Toeneming van de behoeftebevrediging en dus ruimer dan productiegroei, die bijvoorbeeld ten koste van het milieu kan gaan.
Effecten
Verzamelnaam voor waardepapieren: aandelen, obligaties en pandbrieven.
Effectenbeurs
Plaats waar vraag en aanbod met betrekking tot effecten elkaar ontmoeten.
Eigen vermogen
Het eigen vermogen op de balans van een vennootschap bestaat uit het door de aandeelhouders beschikbaar gestelde aandelenvermogen plus de winstreserve. Een deel van de winst wordt niet uitgekeerd maar toegevoegd aan deze reserve, de zogenoemde ingehouden winst.
Engelcurve
Geeft het verband tussen de gevraagde hoeveelheid van een goed en de hoogte van het budget of inkomen.
Export
Uitvoer: verkoop van goederen en diensten aan het buitenland.
FNV
(Federatie Nederlandse Vakbeweging)
De FNV is in 1975 ontstaan uit de socialistische NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen) en de katholieke NKV (Nederlands Katholiek Vakverbond). Met 1,2 miljoen leden is de FNV de grootste vakcentrale van Nederland (het CNV heeft er 365.000).
Frictiewerkloosheid
Werkloosheid die een gevolg is van frictie (wrijving) op de arbeidsmarkt: tussen het ontstaan van de vacature en het vervullen ervan gaat tijd verloren.
Fusie
De versmelting van twee of meer ondernemingen tot een nieuwe onderneming.
Geconsolideerde balans
concernbalans, waarop alle activa en passiva van moeder(s) en dochters bij elkaar zijn geteld.
Geheime reserve
Reserve waarvan het bestaan niet uit de balans blijkt.
Gemiddelde kosten
De totale kosten per stuk. Dus de totale kosten gedeeld door de productieomvang.
Giraal geld
Onmiddellijk opeisbare tegoeden bij geldscheppende banken waarover door opvraging of overschrijving kan worden beschikt.
Girale kredietverlening
De bestaande overliquiditeit biedt de bank de mogelijkheid tot girale kredietverlening.
Girobetaalkaart
Betaalcheque van de Postbank.
Globalisering
Spreiding van de productie over de gehele wereld, waarbij ondernemingen hun nationale identiteit verliezen. Gaat gepaard met toeneming van de internationale concurrentie, mogelijk gemaakt door de revolutie in de communicatiemogelijkheden.
Goederenrekening
Deelrekening van de betalingsbalans waarop de waarde van de in- en uitgevoerde goederen wordt geregistreerd. Ook: handelsbalans.
Harde munt
Een valuta die weinig wisselkoersrisico biedt.
Homogene goederen
Goederen die een bepaalde behoefte volgens de consument even goed bevredigen. De consument let dan uitsluitend op prijsverschillen.
Horizontale concurrentieverhoudingen
De concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen op eenzelfde niveau in de bedrijfskolom.
Houdstermaatschappij
soms bezit de 'holding company' uitsluitend aandelen van een of meer andere ondernemingen, soms worden deze laatste ook vanuit de holding bestuurd.
Hypothecaire leningen
Kredieten waarbij onroerend goed (bijvoorbeeld een woonhuis) als zekerheid voor terugbetaling staat.
ICT-revolutie
De revolutie in de informatie- en communicatietechnologie, ontstaan in de loop van de jaren tachtig van de twintigste eeuw door het gebruik van computers, mobiele telefonie en internet.
Indexcijfer
Geeft de verhouding weer tussen de omvang van een grootheid in een bepaalde periode en de op 100 gestelde omvang van die grootheid in de zogenoemde basisperiode.
Indirecte belasting
Kostprijsverhogende belasting: belasting die kostprijsverhogend werkt zoals omzetbelastingen en accijnzen.
Individuele goederen
Goederen die naar hun aard gesplitst kunnen worden in individuele eenheden. Men kan de gebruiker naar de mate van zijn gebruik laten betalen, maar dit gebeurt niet altijd.
Inflatie
Geldontwaarding: het teruglopen van de koopkracht van het geld. Ook: het stijgen van het gemiddelde prijspeil van goederen en diensten.
Inflatiecorrectie
Bijstelling van de tarieven van loon- en inkomstenbelasting om de stijging van de druk van die belasting, veroorzaakt door de inflatie, ongedaan te maken.
Infrastructuur
Geheel van verbindingswegen, havens, vliegvelden, communicatiemiddelen en dergelijke.
Inkomensoverdrachtenrekening
Deelrekening van de betalingsbalans waarop de betalingen en ontvangsten van secundaire inkomens (inkomens om niet) worden geregistreerd.
Innovatie
De ontwikkeling en succesvolle invoering van nieuwe of verbeterde goederen en diensten, productie- of distributieprocessen.
Instituties
Afspraken tussen mensen die regelen hoe ze met elkaar omgaan.
Institutionele beleggers
Fondsen en maatschappijen die uit de aard van hun bedrijf altijd grote geldsommen willen beleggen (bijvoorbeeld pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen).
Investeren
Het aanschaffen van kapitaalgoederen ter vervanging van versleten machines en voor uitbreiding van de kapitaalgoederenvoorraad.
Invoerrecht
Belasting op ingevoerde goederen en diensten.
Jaarrekening
De resultatenrekening en de balans, beide van een toelichting voorzien plus een accountantsverklaring.
Jaarverslag
Bevat naast de jaarrekening een preadvies van de raad van commissarissen, een verslag en een toekomstvisie van de Raad van Bestuur en een meerjaren- overzicht.
Just-in-time (JIT)
Uit Japan afkomstig productiesysteem waarbij met de toeleveranciers wordt afgesproken om exact op tijd aan de productieband af te leveren.
Kapitaalgoederen
Goederen en diensten waarmee andere goederen worden geproduceerd en de voorraden gereed product en onderhanden werk.
Kapitaalrekening
Deelrekening van de betalingsbalans waarop de in een jaar ontvangen en verstrekte kredieten worden genoteerd.
Koopkracht
Hiermee wordt bedoeld de hoeveelheid goederen en diensten die men voor een gegeven geldbedrag kan kopen.
Korte rente
Rente op kortlopende (looptijd minder dan twee jaar) beleggingen (ook: geldmarktrente).
Kosten-batenanalyse
Kosten en baten van een project of activiteit worden tegenover elkaar gezet.
Kostprijsverhogende belastingen
Belastingen die kostprijsverhogend werken zoals omzetbelastingen en accijnzen.
Krediet
Geldlening.
Lange rente
Rente op de kapitaalmarkt.
Levensstandaard
Deze geeft de omstandigheden weer waaronder iemand leeft.
Liquiditeit
Verhouding tussen kasmiddelen en onmiddellijk opeisbare schulden.
Loonkosteninflatie
Als de lonen sneller stijgen dan de arbeidsproductiviteit stijgen de arbeidskosten per eenheid product. Deze kostenstijging werkt door in de prijzen.
Loonmaatregel
Een maatregel die ingrijpt in de ontwikkeling van de lonen op grond van de Loonwet.
Loonoverleg
Het overleg over lonen en andere arbeidsvoorwaarden tussen vakbeweging en werkgeversbonden.
Lopende rekening
Het totaal van de eerste vier deelrekeningen van de betalingsbalans (goederen-, diensten-, primaire inkomens-, en inkomensoverdrachtenrekening).
Macro-economie
Economie op landelijk niveau.
Marginale kosten (MK)
De vergroting van de totale kosten als er één eenheid meer geproduceerd wordt.
Marginale opbrengst (MO)
De extra opbrengst als een eenheid meer wordt verkocht.
Marketing
Het planmatig bij elkaar brengen van bestaande of potentiële producenten van een product of dienst met bestaande of potentiële klanten.
Markt (abstract)
Het geheel van vraag en aanbod met betrekking tot een goed.
Marktaandeel
De eigen omzet uitgedrukt in een percentage van de totale marktomzet.
Marktconforme maatregelen
Overheidsmaatregelen die via het marktmechanisme werken, zoals een heffing.
Marktevenwicht
Situatie op een markt waar bij een bepaalde prijs (de evenwichtsprijs) de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid.
Marktgedrag
De manier waarop ondernemingen op de markt optreden.
Marktmechanisme
Mechanisme waarbij door ontmoeting van collectieve vraag en collectief aanbod prijzen tot stand komen, die richtsnoer zijn voor de beslissingen van individuele vragers en aanbieders.
Maximumprijs
Een door de overheid opgelegde prijs waarboven niet mag worden verkocht.
Mededingingsbeleid
Het concurrentiebeleid krachtens de Wet Economische Mededinging.
Mededingingswet
Deze wet, die de Wet Economische Mededinging vervangt, gaat evenals het Europese mededingingssysteem uit van een verbodssysteem.
Micro-economie
Economie op bedrijfsniveau.
Milieuverslag
Hierin probeert de onderneming de invloed die zij heeft op het milieu te becijferen.
Minimumloon
Wettelijk vastgestelde minimumbeloning (m.i.v. 2008 voor 23 jaar en ouder bruto €1317,- per maand).
Minimumprijs
Een door de overheid vastgestelde prijs waaronder niet mag worden verkocht.
Modaal inkomen
Het meest voorkomende inkomen; iets anders is het inkomen van "Jan Modaal", dat wil zeggen een gezin met twee kinderen en een inkomen op de premiegrens van de sociale verzekeringen.
Monopolie
Marktvorm waarbij één ondernemer de enige aanbieder is.
Multinationale ondernemingen
Grote ondernemingen met vestigingen in een reeks van landen (ook: multinationals).
Naamloze Vennootschap (NV)
Ondernemingsvorm waarbij het vermogen is verdeeld in aandelen die vrij verhandelbaar zijn. De NV is rechtspersoon.
Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma)
Op 1 januari 1998 is dit instituut van start gegaan om toezicht te houden op de naleving van de Mededingingswet.
Netto investeringen van de bedrijven
De door bedrijven verrichte uitbreidingsinvesteringen plus de voorraadveranderingen.
Netto nationaal inkomen (NNI)
De som van de beloningen van alle Nederlandse productiefactoren. Is identiek aan het Netto Nationaal Product.
Netto nationaal product (NNP)
Bruto nationaal product minus de afschrijvingen.
Niet-duurzame consumptiegoederen
Consumptiegoederen die meteen worden verbruikt.
Nominale cijfers
De cijfers zoals ze in euro’s luiden.
Nyfer
Nyenrode forum for economic research; macro-economisch onderzoeks instituut dat onder meer de ontwikkeling van de economische situatie tracht te voorspellen.
Obligaties
Bewijs van deelname aan een langlopende lening.
Omgevingsfactoren
Tot de omgevingsfactoren of het ondernemingsklimaat rekenen we in de eerste plaats de relaties tussen de participanten van de onderneming; vervolgens de concurrentieverhoudingen, de economische situatie, de betrekkingen met het buitenland en de economische orde.
Ondernemingsraad
De vertegenwoordiging van de werknemers in de onderneming.
Optie
Recht om gedurende een bepaalde periode bijvoorbeeld een aandeel tegen een van tevoren afgesproken koers te kopen of te verkopen.
Pandbrief
Schuldbewijs van een hypotheekbank.
Participanten
De participanten van een onderneming zijn de ondernemingsleiding, de werknemers, de aandeelhouders, de banken, de leveranciers, de afnemers en de overheid.
Passende arbeid
Het werk dat een werkloze zal moeten accepteren als vervanging van zijn oude baan, wil hij/zij niet zijn uitkering verliezen.
Passiva
De passiva van een onderneming zijn de verplichtingen, zoals de schulden en de voorzieningen. Aan de passivakant van de balans (creditkant) vind je ook het eigen vermogen. Daar tegenover staan de activa oftewel de bezittingen. De passiva geven aan hoe het totaal van de activa is gefinancierd.
Potentiƫle concurrenten
Concurrenten die nog niet tot de markt zijn toegetreden, maar dat wel zouden kunnen doen.
Prijzenwet
Wet van 1961 die de overheid in staat stelt maximumprijzen en maximum prijsverhogingen vast te stellen.
Primair inkomen
Het inkomen zoals dat via het prijsvormingsproces aan de productiefactoren toevalt.
Primaire inkomensrekening
Deelrekening van de betalingsbalans waarop voornamelijk kapitaalopbrengsten, zoals winsten en renteopbrengsten, worden geregistreerd (ook wel: kapitaalopbrengstenrekening).
Private kosten (calculatie)
De kosten zoals die door de particuliere ondernemer worden berekend zonder daarbij met eventuele kosten voor de maatschappij rekening te houden.
Produceren
Het maken van goederen en diensten door ondernemingen met behulp van productiefactoren.
Productdifferentiatie
Het bestaan van kwaliteitsverschillen waardoor kopers voorkeur hebben voor product A in plaats van product B.
Productiecapaciteit
De maximale hoeveelheid goederen en diensten die in een periode kan worden voortgebracht als alle productiefactoren volledig zijn ingeschakeld.
Productiefactoren
De factoren natuur, arbeid en kapitaalgoederen met behulp waarvan wordt geproduceerd.
Profijtbeginsel
De gebruiker een bijdrage laten betalen voor het gebruik van een overigens gesubsidieerd goed.
Progressief belastingtarief
Naarmate men een hoger belastbaar inkomen heeft, betaalt men een hoger percentage belasting.
Raad van Bestuur
De directie van een vennootschap.
Raad van Commissarissen
De commissarissen van een vennootschap die namens de aandeelhouders toezicht houden op het beleid van de directie en deze adviseren.
Ratio
Een ratio is een verhoudingsgetal dat iets zegt over de financiële situatie van een bedrijf. Ook kun je met zo’n ratio heel makkelijk bedrijven met elkaar vergelijken. Bijvoorbeeld door te kijken naar de koers-winstverhouding of de liquiditeitsratio.
Recessie
Terugval in de economische ontwikkeling.
Reclame
Het overbrengen (communiceren) van een boodschap door een adverteerder met de bedoeling zijn afzet te vergroten.
Rentabiliteit van het eigen vermogen (REV)
De verhouding tussen de winst na belasting en het gemiddeld gedurende het verslagjaar werkzame eigen vermogen.
Rentabiliteit van het totale vermogen (RTV)
De verhouding tussen het bedrijfsresultaat (winst inclusief rentelasten en belastingen) en het gemiddeld gedurende het verslagjaar werkzame totale vermogen.
Rente
De prijs van krediet.
Rentevoet
Percentage dat wordt gebruikt voor bepaalde berekeningen, bijvoorbeeld de vaststelling van de vergoeding voor het uitlenen van geld.
Reserve
Een reserve is een soort buffer voor als het even slechter gaat met het bedrijf. Daarbij gaat het om zaken waarvan je nog niet zeker weet of en wanneer je daar geld voor moet uitgeven. Een reserve ontstaat doordat een bedrijf een deel van de winst reserveert.
Resultatenrekening
Samenvattend overzicht van de kosten en opbrengsten van een onderneming gedurende de verslagperiode.
Risico
De afwijking van het gemiddelde, het risico van een positieve of negatieve afwijking, de volatiliteit, is bij fonds A een stuk groter dan bij fonds B. De afwijking van het gemiddelde, de zogeheten standaardafwijking, wordt gebruikt als maatstaf voor het risico.
Ruil
Het tegen elkaar uitwisselen van goederen en diensten.
Salderingsrekening
Sluitrekening van de betalingsbalans die zorgt voor het formeel evenwicht.
Secundair inkomen
Het primaire inkomen gecorrigeerd voor betaalde en ontvangen inkomensoverdrachten.
Secundaire arbeidsvoorwaarden
Werktijden, werkomstandigheden, vakantieregelingen, pensioenregelingen, medezeggenschap.
Secundaire liquiditeiten
Vorderingen van ingezetenen (behalve banken en het Rijk) op banken die op vrij korte termijn, zonder veel kosten en zonder belangrijk koersverlies kunnen worden omgezet in geld (kortlopende termijndeposito's, kortlopende spaartegoeden en kortlopende valutategoeden).
Seizoenswerkloosheid
Werkloosheid die een gevolg is van het wegvallen van bepaalde producties in bepaalde jaargetijden.
Sluitende begroting
Volgens voorstanders van een sluitende begroting moeten de totale uitgaven van de overheid elk jaar volledig worden gedekt door belastingen en andere overheidsontvangsten.
Sociaal Jaarverslag
Verslag waarin wordt gerapporteerd over de mensen die in de onderneming werken en hun belangen.
Sociale partners
Werkgevers- en werknemersorganisaties.
Sociale voorzieningen
Uitkeringen uit de algemene middelen aan mensen die niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien.
Solvabiliteit
Verhouding tussen de totale bezittingen en schulden.
Specialisatie
Het je als mens, onderneming of land, toeleggen op een bepaalde bekwaamheid, dienst of product.
Stagflatie
Het tegelijkertijd optreden van prijsinflatie en werkloosheid (stagnatie).
Stille reserve
Uit de balans blijkt wel het bestaan maar niet de omvang van deze reserve.
Subsidie
Een door de overheid verstrekte inkomens- of kapitaaloverdracht aan ondernemingen of gezinnen.
Technische levensduur van een machine
De periode dat een machine technisch gesproken in staat is te produceren.
Technische slijtage
De door het gebruik optredende waardevermindering van goederen.
Termijndeposito
Geld dat voor enige tijd is vastgezet bij een bank.
Toegevoegde waarde
De marktwaarde van de omzet minus de waarde van de gekochte en verbruikte grond- en hulpstoffen.
Totale kosten
De som van constante en variabele kosten.
Totale opbrengst(TO)
Wordt gevonden door de prijs of gemiddelde opbrengst te vermenigvuldigen met het aantal verkochte eenheden.
Transactiekosten
Kosten die tevoren gemaakt moeten worden om een contract tot stand te brengen en de kosten die daarna gemaakt worden om de overeenkomst te bewaken en zonodig af te dwingen.
Uitbreidingsinvesteringen
Investeringen die dienen om de kapitaalgoederenvoorraad per saldo te vergroten.
Valuta
De muntsoort van een land.
Valutarekening
Bankrekening in een andere dan de eigen valuta.
Valutarisico
De kans dat je verlies lijdt of winst maakt op een (buitenlandse) belegging doordat de koers van een vreemde munt verandert.
Variabele kosten
Kosten die afhankelijk zijn van de productieomvang.
Vast kapitaal
Kapitaalgoederen die meer dan één productieproces meegaan.
Vaste activa
Activa die een onderneming langere tijd in bezit heeft, zoals gebouwen en machines.
Vaste kosten
Constante kosten: kosten die ook worden gemaakt als de productie stil staat.
Vaste lasten
Betalingen die steeds weer gedaan moeten worden, omdat je een bepaalde verplichting op je hebt genomen.
Vermaatschappelijking van de onderneming
Ondernemingen moeten in toenemende mate tegenover de maatschappij verantwoording afleggen, hoe ze met grondstoffen, energie, milieu, ruimte en de Derde Wereld omgaan.
Verticale concurrentieverhoudingen
De concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen op verschillend niveau in de bedrijfskolom.
Verticale prijsbinding
Situatie waarbij een producent aan de winkelier voorschrijft tegen welke prijs deze zijn product moet verkopen.
Vervangingsinvesteringen
Investeringen die dienen ter vervanging van versleten vaste kapitaalgoederen.
Verzelfstandiging
Het zelfstandig maken van een bedrijf(sonderdeel). Verzelfstandiging kan in allerlei gradaties voorkomen.
Vlottende activa
Activa die kort in het bezit van een onderneming zijn, zoals kasgeld of voorraden.
Volatiliteit
De volatiliteit of volatility is de mate waarin de koers van een financieel product (aandeel, obligatie, valuta, etc.) schommelt.
Vreemd vermogen
Het vreemd vermogen op de balans van een vennootschap is het door derden beschikbaar gestelde vermogen. Er is kort vreemd vermogen, zoals bankkrediet en crediteuren (leveranciers die nog betaald moeten worden). En er is lang vreemd vermogen, zoals obligatieleningen en andere langlopende leningen.
VUT
De vrijwillige vervroegde uittreding.
Wall Street
De beurs van New York.
Werkgelegenheid
De vraag naar arbeid, te berekenen door de totale productie te delen door de arbeidsproductiviteit per persoon.
Werkloos(heid)
Iemand die bij het gewestelijk arbeidsbureau is ingeschreven, niet ouder dan 64 jaar is, geen arbeidsverhouding heeft en die wenst en in staat is arbeid in loondienst te verrichten gedurende minimaal 12 uur per week.
Werknemersverzekeringen
Deze geven onder bepaalde voorwaarden een inkomensgarantie aan werknemers.
Window dressing
Zodanig schuiven in de beleggingsportefeuille dat de eindejaarsrapportage een zo gunstig mogelijk beeld laat zien.
Winst
Een onderneming verkoopt producten en realiseert daarmee een bepaalde opbrengst, de omzet. Bij het vervaardigen van de producten worden kosten gemaakt. Het positieve verschil tussen omzet en kosten wordt bedrijfsresultaat genoemd. Corrigeert men dit voor overige baten en lasten (zoals rente), dan resulteert de winst voor aftrek van belasting. Hierover wordt belasting betaald; wat overblijft is de winst na belasting. Deze wordt voor een deel uitgekeerd aan aandeelhouders (dividend) of aan werknemers (tantièmes, bonussen, winstdeling). Voor een deel wordt de winst gereserveerd wat een vergroting van het eigen vermogen betekent.
Wisselkoers
Ruilverhouding tussen twee valuta, die bepaald wordt door vraag en aanbod op de valutamarkt.
Wisselmarkt
Valutamarkt: geheel van vraag naar en aanbod van buitenlandse valuta.
Zwart circuit
Deel van de verborgen economie waar het belasting- en premiefraude betreft.